Lesmateriaal

- Download PDF
-
 Download de lesboek cd!

Lesbrief KVL

"Hoe schrijf ik een liedje?"

Voorwoord
Het Kinjervastelaovesleedjesfestival (KVL) is inmiddels in de Limburgse carnavalswereld een begrip geworden. Jaarlijks doen veel scholen en ook individuele zangers en zangeressen met een zelfgemaakt liedje mee aan de wedstrijd voor de keuze van het beste carnavalslied. Het KVL kan daarom met recht gezien worden als de kraamkamer van het grote LVK.
De doelstelling van beide organisaties is het behoud van het culturele erfgoed van "vastelaovendj" en omdat de vastelaovesmeziek gezien wordt als de motor van het carnavalsfestijn, is de instandhouding van het leedjesfestival natuurlijk van groot belang.
Om dit voor de toekomst veilig te stellen, willen we graag nog meer scholen bij dit festival betrekken. In de praktijk blijkt echter, dat de drempel om mee te doen voor velen te hoog is en dat men zich daarom (nog?) niet durft te wagen aan het schrijven van een liedje.
Om de twijfelaars over de streep te trekken, maar vooral ook om leerlingen zelf op weg te helpen om samen met een leerkracht of ouder een liedje te schrijven, is bijgaande lesbrief gemaakt. We willen zoveel mogelijk leerkrachten, kinderen en ouders bereiken en daarom is de opzet van het lesmateriaal bewust laagdrempelig gehouden.
Deze lesbrief presenteren we hierbij graag aan alle scholen en overige geïnteresseerden, in de hoop dat hij er mede toe bijdraagt, dat jaarlijks nog meer enthousiaste kinderen deelnemen aan de voorronden van het KVL.

Om iedereen te prikkelen om mee te doen opent de CD die je hierboven kunt downloaden met het KVL-liedje dat gemaakt is om jullie te stimuleren om mee te doen. Beluister track 1 maar dan kom je vast al in de stemming en zing je het liedje meteen mee. Track 2 is de karaoke-versie van dit lied, dat jullie natuurlijk kunnen gebruiken voor een oefen-optreden op je eigen school. De tekst van het lied vinden jullie hier beneden.

Je vindt de tekst en muziek ook onder de knop 'KVL-lied' onder het menu 'Liedjes' op deze website.

PAK DICH ZES-EN-TWINTIG- LETTERS
( K.V.L.-Liedje )  
tekst: Arnold Wassen
muziek: Theo Peeters

Refrein:
Pak dich zes-en-twintig- letters, eine hampel neut.....
en zet det op ein rie.....
Jao, die letters waere wäördjes, en die hampel neut.....
det waert ein melodie......
't Begint natuurlik met ein sjoeën ideetje.....
veur ein liedje, ein leidje of ein leedje.....
want de Kinjervastelaovend is in tel, dus máák ein leedje veur 't K(a).V(ee).(e)L.....!!
Jao, de Kinjervastelaovend is in tel, máák ein leedje veur 't K(a).V(ee).(e)L.....!!

Coeplet 1:
Kóm, pak dich ens de pen of gank ens klikke met de moeës.....
en zek:,,'t Ieërste oeër bön ich veur nieks en nemes thoeës;
vandaag maak ich ein liedje: eine wals of eine sjtep.....
of.....as 't mich moog lökke: eine rock of eine rep!"....
Zó'n leedje make is néét gek.....
dus doot gewuuën, wat ich noe zek: Refrein: Pak dich ....

Coeplet 2:
En höbs se sjtrakkes meujte met de factor ,,Letter "X".....
en is de "Q" de raeje, des se oeëre wakker liks?....
Den zing gewuuën:,,De "X" zit in de taXi, (achter-in)....
De "Q" die loupe in de wei, en höbbe goje zin!.....
Doe zuus: Ein leedje is gauw klaor.....
missjien zaes doe noe eder jaor: Refrein: Pak dich ....

Les 1 Ritme en tekst

Vraag: Hoe maak ik een liedje. Wat is er voor nodig? Hoe begin je?

Doelstelling van de les:
a) ritmeren van woorden en zinnen.
In deze les gaan we op zoek naar het ritme dat opgesloten zit in woorden en zinnen. Van daaruit proberen we het passende maatgevoel te vinden en de ritmische begeleiding te zoeken die het best past bij een tekst.
b) maatgevoel en maatsoort ervaren.
We proberen het maatgevoel te ontwikkelen en een passende maatsoort te kiezen.
c) een tekst schrijven.
Hoe begin ik? Kinderen activeren door een woordspin te maken. Zoeken naar een verhaal met een leuke clou.

A) Ritmeren van woorden en zinnen.
Allereerst laten we kinderen zoeken naar het ritme in woorden die ze zelf inbrengen.
Bijvoorbeeld: Tafel, boek, meester, juffrouw, gedrag, boerderij, helemaal, kindervakantiewerk, enz..
Laat hen ervaren dat de klemtoon op het donker gedrukte deel van het woord ligt en dat het raar klinkt al het woord anders wordt beklemtoond.
Laat iedereen zelf woorden opschrijven en een streep zetten onder de lettergreep die de klemtoon krijgt. Waar ligt de klemtoon van een woord? Zoek ook naar woorden met meerdere lettergrepen. Waar ligt de klemtoon nu? Soms ligt de klemtoon bij langere woorden op twee lettergrepen. Welke is toch de belangrijkste?
In de muziek praten we niet over klemtoon maar over maat en ritme. Elk woord heeft een eigen ritme en als je woorden in een zin plaatst en leest, ontstaat een ritme dat je weer kunt verdelen in stukjes, die we maten gaan noemen. Daarom gaan we nu naar de volgende stap: het zoeken naar de klemtoon en het ritme van zinnen.
Laat de kinderen een hele zin bedenken en opschrijven en vraag hun of ze weer de klemtoon van elk woord met een streepje onder de woorden kunnen aangeven.
Als voorbeeld zullen bij deze zin zo de streepjes komen te staan:
"Wij zoeken samen naar het ritme en de klemtoon van een zin". Zo is de klemtoon van elk woord aangegeven, maar daar kunnen we nog niet zoveel mee.
Als we echter de hele zin achter elkaar oplezen merken we dat we de zin in een bepaald ritme lezen en dat sommige woorden extra beklemtoond worden en dus belangrijker zijn.
De belangrijkste lettergrepen geven we nu een extra accent en we maken in ons voorbeeld hier de lettergrepen vetgedrukt en zetten vóór die vetgedrukte lettergreep een streepje.
Dat ziet er dan zo uit: "Wij zoeken samen naar het ritme en de klemtoon van een zin".
Maar het kan ook zo: " Wij zoeken samen naar het ritme en de klemtoon van een zin".

B) Maatgevoel en maatsoort
De streepjes die we in de zin gezet hebben, zijn in de muziek de maatstrepen en die zorgen voor een eerste belangrijke indeling van de tekst.
Laat de kinderen met meerdere zinnen het bovenstaande oefenen. Om kinderen te stimuleren kunnen we tegenwoordig dankbaar gebruik maken van het populaire begrip "rappen". Dat is een uitstekend hulpmiddel om teksten van een basisritme te voorzien.
Oefen het opzeggen van een willekeurige tekst maar eens samen met het ritmevoorbeeld van track 3 op de CD.
Het ritmisch opzeggen (rappen) van onderstaande tekst van de "Zeurrap" past bij de begeleiding zoals die op track 4 staat. Oefen maar eens of je dat lukt. Er zijn natuurlijk heel veel verschillende versies mogelijk. Het gaat erom dat je de klemtoon op de juiste plaats legt en laat horen dat je maatgevoel hebt. Wie lukt het al?
Luister nu ook eens naar het ingezongen voorbeeld track 5.

Zeurrap

Lekker op je kamer, eindelijk alleen,
Even rustig zitten, even niemand om je heen.
Schoen op je tafel en benen op bed.
Niemand die er op je let.
Daar klinkt opeens de keukendeur
En hoor je weer dat eindeloos gezeur:

"Ben je al boven, ben je al thuis?
Zat je weer de hele middag voor de buis?
Taal gedaan?
Afwas gedaan?
Ben je ook nog even naar de bakker gegaan?
Heb je oma nog gebeld?
Konijnenvoer besteld?
Heb je nog bloemetjes gekocht van het huishoudgeld?
En hoe staat het met die rommel
En hoe staat het met die rommel
En hoe staat het met die rommel op je kamer?
(uit Muziek voor de basisschool)

Vraag aan de kinderen of zij het ook zo gedaan hebben, of is dat hun versie erg verschillend is? Er zijn meerdere interpretaties mogelijk, die allemaal goed kunnen zijn, als er maar rekening gehouden wordt met het ritme en het metrum van de tekst en dus de maat van de muziek!.

Probeer bovenstaande oefeningen ook eens te doen met woorden die betrekking hebben op carnaval of thema's die er mee te maken hebben.
Laat de kinderen als start een woordspin maken met woorden en dingen die zij associëren met carnaval. Als het kan, doe het dan meteen in het Limburgs, want dat is de taal waarin het lied straks gepresenteerd moet worden.
Oefen het zoeken van de klemtoon en het ritme met woorden als: vastelaovendj; leedjesfestival; polonaise; hossen en sjpringe; plezeer make; enz. (uiteraard in ieders eigen lokale dialect!) en daarna met complete zinnen zoals bijvoorbeeld de volgende tekst:

(Vb)

Wae hossen en wae sjpringe gaer met carnaval
En gaon verklaedj es kloon nao ‘t kinjerbal.
Wae make drie daag same hieël väöl lol
Det haoje wae toet ' s aoves henjig vol.
Want vastelaovendj vere meuktj os blie
Al zeen dees daag ouch väöl te sjnel väörbie!

Laat de kinderen weer zoeken naar de klemtoon en maatstrepen zetten vóór de woorden die een duidelijk accent krijgen als je de zin goed opleest. (Eigen voorbeelden zijn vast ook geschikt om deze oefening te doen)

C) Een tekst schrijven
Nu gaan we zelf een liedtekst schrijven. Belangrijk is dat je eerst een aansprekend onderwerp of thema kiest en de strekking van de gewenste tekst voor ogen hebt. Het is altijd sterker als een climax en een bepaalde clou in de tekst zit verpakt. Probeer daarnaar te streven.

We laten de kinderen meedenken over onderwerpen die hun aanspreken. Door middel van een woordspin verzamelen we aansprekende woorden en onderwerpen. Die komen groot op het bord te staan. De groep kiest vervolgens het meest aansprekende idee.
De kinderen gaan nu in kleine groepjes aan de slag om zinnen te maken die rijmen en qua ritme bij elkaar passen.
Als je een geschikte startzin hebt gevonden, moet je er rekening mee houden dat de volgende zin of de derde zin daarmee samenhangt. Dat hangt af van het rijmschema dat gebruikt wordt. Als voorbeeld gaan we nu even uit van het schema a-a, b-b. We kiezen een refrein dat uit 4 regels bestaat. De eerste en de tweede zin horen bij elkaar. Niet alleen vanwege het aantal lettergrepen en dus het ritme, maar ook vanwege het feit dat in de muziek de voorzin en de nazin bij elkaar moeten passen als een vraag bij een antwoord.
Voor de volgende twee zinnen (3 en 4) geldt hetzelfde. Als het allemaal goed past, is de tekst voor een refrein klaar. Laat de kinderen zelf in groepjes enkele teksten van 4 regels op papier zetten en laat ze dit klassikaal presenteren, waarbij de rest luistert en oordeelt. Zijn er geslaagde voorbeelden bij, dan kunnen die gebruikt worden om er muziek bij te bedenken. In de volgende les gaan we daar dieper op in.

Een eenvoudige tekst voor een refrein van vier regels is bijvoorbeeld:

't Is carnaval en omdat onze school in Limburg ligt,
gaan wij een liedje zingen en wij schminken ons gezicht .
De meester is piraat en juffrouw Elly komt als fee
En samen gaan wij vrolijk met de polonaise mee!

Laat de kinderen de tekst eens ritmisch opzeggen en daarbij de maat meetikken. Lukt het al? Dan door naar les twee. Veel succes!

Les 2 De Melodie en de begeleiding

Vraag: Hoe maak ik een melodietje. Welke begeleidingsritme past erbij?

Doelstelling van de les:
a) De keuze van het ritme
Hoe kan ik een passend ritme kiezen bij de gemaakte tekst?
b) De keuze van de maatsoort.
Welke maatsoort past het beste bij de gegeven tekst? Waar moet ik dan op letten?

a) Keuze van het ritme en de maatsoort
We beginnen deze les met drie voorbeelden van een kort lied in drie verschillende maatsoorten maar met eenzelfde accoordenschema in de begeleiding. Op de CD staan de drie voorbeelden van melodieën, achtereenvolgens in 6/8 maat, 2/4 maat en 3/4 maat. De onderstaande eenvoudige teksten passen bij deze melodieën. Luister naar de drie voorbeelden met eenvoudige teksten. Er zijn grote stijlverschillen te horen ook al is het accoordenschema vrijwel gelijk. Welk soort lied spreekt de kinderen het meest aan. Ga daar naar op zoek.

Tekst A: bij melodie in 6/8 maat (CD track 6)
Dit is de tied van plezeer en lol
Ederein geit oet ziene bol.
Nemes dae noe aan de kantj blieftj sjtaon!
Ederein leutj hem duchtig gaon!
Refrein:
Kom, doot met ós met, want ‘t is weer vastelaovendj.
Kom, doot met ós met, niks zoea sjoean es vastelaovendj!

Tekst B: bij melodie in 2/4 maat (CD track 7)
Eder jaor weer róndj de carnaval
Sjtaon wae met ós pekske klaor
Gaon den verkledj nao ‘t kinjerbal
Make väöl lol, des zeker waor.
Refrein:
Dans noe en swing mer, ederein duit hiej met ós met.
Hos noe en sjpring mer, ederein duit gezellig met!

Tekst C: bij melodie in 3/4 maat (CD track 8)
Vastelaovendj, de sjoeanste tied van 't jaor.
Vastelaovendj, mien pekske det ligktj al weer klaor.
Refrein:
Dans en sjpring, hos en zing
"Ederein huuërtj d'r noe bie!"
Laot hem gaon, blief neet sjtaon,
"Ederein fieëstj, is drie daag blie!"

Alle tekstoefeningen zullen ongetwijfeld een bijdrage leveren om gevoel te krijgen voor het ritme dat in een liedtekst moet zitten.
Dat kan een tweedelig of driedelig ritme zijn. Een tweedelig ritme past bij een 2/4, 4/4, of 6/8 maatsoort. De muziek die in deze maatsoort staat, noemen we vaak een mars of een polka, maar ook moderne ritmen als samba, pop, of disco passen hierbij.
Een driedelig ritme past bij een 3/4 maatsoort. We noemen zo'n liedvorm vaak een wals.
Bij een 6/8 maatsoort is zelfs eenvoudig gebruik te maken van twee- of driedelige ritmes. Daarom wordt deze maatsoort ook vaak gebruikt bij het traditionele carnavalslied.

Luister nu naar de ritmes uit de voorbeelden op de CD
Track 9: 6/8 maat (mars);
Track 10: 2/4 maat (polka)
Track 11: 2/4 maat (samba)
Track 12: 2/4 maat (mars)
Track 13: 3/4 maat (wals)
Track 14: 2/4 maat (rock)
Track 15: 2/4 maat (pop)
Track 16: 2/4 maat (dixieland)

Probeer of de kinderen de eigen tekst kunnen opzeggen bij een van deze ritmes. Een modern keyboard met voorgeprogrammeerde ritmes kan hierbij natuurlijk ook heel goed dienst doen.
Welk ritme en welke maatsoort vinden zij het best passen? Is een keuze gemaakt, ga daar dan mee verder.

Belangrijk is het, dat we weten en vooral aanvoelen, dat een voorzin en nazin ritmisch op elkaar moeten lijken, want in de muziek is er samenhang tussen de melodieën van een voorzin en een nazin. Luister nog maar eens naar de muziek, die bedacht is bij de regels tekst van de vorige pagina. Op de CD vind je drie eenvoudige liedjes achtereenvolgens in 2/4 maat; 3/4 maat en 6/8 maat. (Vb. tr. 6, 7, 8)

Voor carnavalsmuziek zijn deze traditionele ritmes het meest geschikt, maar uiteraard zijn moderne ritmes ook mogelijk en is het wel verfrissend om het gebruikelijke patroon eens te doorbreken.

Les 3 Melodie en accoorden

In deze les proberen we een antwoord te vinden op de volgende vragen: Hoe zit een liedvorm in elkaar? Hoe zit dat met accoorden en begeleiding?

Doelstelling van de les:
a) de liedvorm kiezen
Melodie en tekst op elkaar afstemmen door een vormschema te maken dat een passende relatie kent met het gekozen rijmschema. Kinderen hiervoor gevoelig maken door het laten zingen van de nazin na het luisteren naar een voorzin.
b) een melodie bedenken bij de tekst.
Het maken van een voor- en nazin bij een zelfgemaakte tekst.
c) de acoorden en de begeleiding kiezen
We gaan een passende begeleiding kiezen en de eerste beginselen van de functie van accoorden ervaren.

A) De liedvorm kiezen

In de vorige les hebben we het al kort gehad over de begrippen voorzin en nazin om aan te geven dat er samenhang moet zijn in de gekozen melodielijn. Dat heeft te maken met enerzijds het rijmschema, maar anderzijds ook met de melodiewending op het eind van een regel. Voor iemand die onderlegd is in het begrijpen van de functie van accoorden is dit een eenvoudig begrip. Voor de leek is dit echter vaak een moeilijker onderdeel, maar we gaan ervan uit dat ook de leken die deze lesbrief gaan behandelen voldoende muzikaal gevoel in zich hebben, zodat ze toch met deze materie op eenvoudige wijze om weten te gaan.

Allereerst gaan we enkele melodiefragmenten beluisteren, waarbij we aan de kinderen vragen om er een antwoordmelodie bij te bedenken. Ervaring leert dat in een groep altijd kinderen zijn, die aanvoelen hoe een vervolgmelodie logischerwijs moet klinken. Op de CD staan enkele voorbeelden van voorzinnen waarop kinderen een antwoordmelodie moeten bedenken. (tr. 17 t/m 21) Laat de kinderen zo'n nazin zingen op la, la, la.

Leerkrachten die een instrument bespelen kunnen de voorzin uiteraard ook zelf voorspelen. Daarom hierbij de notenvoorbeelden zoals die op de CD te staan, zijn:
1.

2.

3.


4.

5.


Om te controleren of de groep het begrepen heeft, kan men nu samen tr. 22 t/ 26 beluisteren. Hier zijn voorbeelden van nazinnen gegeven bij de eerder gehoorde voorzinnen.
Hebben de kinderen in de groep vergelijkbare oplossingen gevonden? Zijn er grote verschillen? Dat kan, want de nazin kan op meerdere manieren op melodie gezet worden.

B) Een eenvoudig lied maken

We gaan nu samen proberen een vierregelige tekst op muziek te zetten. Dus gaan we zelf een melodie bedenken. We gebruiken daarvoor het onderstaande tekstvoorbeeld. Voor het gemak doen we het even in het Nederlands omdat de dialectverschillen in onze provincie per streek erg groot zijn.
't Is carnaval en omdat onze school in Limburg ligt,
gaan wij een liedje zingen en wij schminken ons gezicht .
De meester is piraat en juffrouw Elly komt als fee
En samen gaan wij vrolijk met de polonaise mee!

1. Eerst gaan we de tekst ritmeren en accenten zetten om te weten hoe de maat van de tekst in elkaar zit. (zie les 1)
2. We zetten maatstrepen en kiezen een passend ritme.
3. We bedenken een voorzin op de eerste tekstregel en daarna een nazin op de tweede regel.
4. Nu doen we hetzelfde met regel drie en vier en zorgen ervoor dat je voelt , dat het lied na de slotnoot van de melodie ook echt uit is. (Dat merk je als je eindigt op de grondtoon van de melodie.) We komen hier nog op terug.
5. We zingen nu de vier regels van het lied achter elkaar. Het liedje is klaar!

Als dit lukt met de gegeven tekst, is de volgende stap natuurlijk het bedenken van een melodie op een eigen tekst. Ieder kan dat in zijn eigen dialect proberen op dezelfde wijze als boven geschetst. Op de CD staan enkele voorbeelden van eenvoudige melodietjes in verschillende maatsoorten, maar die allen 4-regelig bedoeld zijn.
Luister naar tr.: 27 t/m 29 De melodietjes kunnen ook gebruikt worden om er een eigen tekst bij te verzinnen.

We sluiten de les af met de opdracht aan de kinderen om te proberen in groepjes van vier een eigen lied te gaan maken. Als de kinderen hiermee klaar zijn, mogen ze dit laten horen aan de groep.

C) De accoorden en de begeleiding

Het onderdeel dat nu komt, vraagt vanwege de nodige theoretische kennis over muziek iets meer deskundigheid van de leerkracht. Als een groep samen in staat is om een vierregelig lied te maken, dan heeft zij ervaren dat er in de melodie wendingen voorkomen die het nodig maken om te reageren met een andere melodielijn. (Tussen voorzin en nazin is muzikale samenhang te bespeuren).
Zij die dit aanvoelen zijn vast muzikaal gevoelig genoeg om het volgende onderdeel over accoorden te kunnen begrijpen. (Mocht iemand hier moeite mee hebben dan is assistentie van een leerkracht of ouder die hier meer ervaring mee heeft misschien wenselijk)
We gaan bij een eenvoudig lied uit van drie hoofdaccoorden. (die noemen we in de muziek tonica, dominant en subdominant). Deze accoorden worden opgebouwd als drieklank op de eerste, de vijfde en de vierde toon van de toonladder. We noemen deze accoorden ook wel trappen; de tonica is de 1e trap van de toonladder, de dominant is de 5e trap en de subdominant is de 4e trap.

Het verloop van de melodielijn op het eind van een nazin bepaalt welk acoord er nu begeleid moet worden. Meestal is dat de 5e trap (de dominant). In de tweede zin gaat de melodie in het antwoord weer terug naar de 1e trap (de tonica) De derde regel gaat naar de 4e trap (subdominant) en in de vierde regel voert via de 1e en de 5e trap weer terug naar de 1e trap.(tonica) bij de slotnoot. (Let op: dit geldt voor een tekst met het rijmschema a-a-b-b)
Luister maar naar het eenvoudige voorbeeld op de CD , waarbij het accoordenschema gebruikt is op onderstaande tekst. (tr.: 30)

Dit melodietje gaat omhoog en gaat óók weer omlaag
Veranderen accoorden? Ja, natuurlijk, wat een vraag!
Wie toont in deze regel zijn bekende lange snuit?
De olifant, ja zeker, blaast dit liedje uit!

De accoorden worden vaak met symbolen aangegeven. Voor het bovenstaande lied ziet dat er zo uit:
C G7
Dit melodietje gaat omhoog en gaat óók weer omlaag
G7 C
"Veranderen accoorden?", Ja, natuurlijk, wat een vraag!
C F
Wie toont in deze regel zijn bekende lange snuit?
F C G7 C
De olifant, ja zeker, blaast dit liedje uit!

C = 1e trap (tonica) G7 = 5e trap (dominant) F = 4e trap (subdominant)

Met behulp van een modern keyboard kan tegenwoordig op heel eenvoudige wijze een geschikte begeleiding gekozen worden en kunnen zelfs de accoorden met het éénvinger-systeem gespeeld worden, waardoor het ook voor leken eenvoudiger wordt. Enige kennis van het toetsenbord is wel nodig.
Elk lied heeft natuurlijk een ander accoordenschema, omdat de melodielijn ook verschillend is. Regelmatig oefenen en luisteren naar voorbeelden zal de leerkracht en ook de kinderen leren omgaan met deze materie. Het belangrijkste is dat je aanvoelt en hoort dat op een gegeven plaats bij een bepaalde melodielijn het begeleidingsaccoord moet veranderen.
Graag willen we iedereen veel inspiratie, maar vooral ook plezier en succes toewensen bij het maken van een liedje.